22-12-09

het begon allemaal bij de postbode...

klaraDe postbode loopt het tuinpad op, ondertussen mijn post doornemend. Ik kijk op de klok. Hij is laat, nog een paar uren en dan is het kerstavond. Ik schuif de quiche in de oven. Veertig minuten. Net op tijd klaar voordat de jongens komen. Met moeite heb ik ze ertoe kunnen bewegen om vanavond met me te eten. Het liefst had ik ze beide kerstdagen bij me, maar dat zit er niet in. Luuk is bij zijn nieuwe vriendin en Edvard gaat skiën met een groep vrienden. Ik denk aan de voorliggende jaren, toen hun vader er nog was.
Ik veeg de post die verspreid op de deurmat ligt bij elkaar. De gebruikelijke verzameling kerstkaarten. Opvallend veel teksten met ‘sterkte dit jaar’. Dan zie ik een brief die niet voor mij bestemd is. S.W. Broekhoven. Voorzichtig peuter ik de envelop los. Meneer Broekhoven wordt door familie uitgenodigd om tweede kerstdag met hen door te brengen. Ik wil de uitnodiging weggooien, maar bedenk me. Er is geen reden waarom hij deze kerst alleen moet zijn, net als ik. Ik pak het telefoonboek. S.W. Broekhoven woont een paar straten verderop. De oven geeft aan dat de quiche binnen 35 minuten klaar is. Dat moet net lukken.
Ik haal mijn fiets uit het schuurtje. De plastic tas met daarin de brief bungelt aan het stuur. Er ligt een dun laagje ijs in de gracht. Een stel jongens fietst me lachend voorbij en zien een vrouw met haar zoon achterop over het hoofd. De vrouw verliest haar evenwicht. De jongens aarzelen geen moment en gaan er vandoor.
De fiets drukt de vrouw neer op het asfalt. Het jongetje krijst oorverdovend. Ik maak het tuigje los en til hem uit het zitje. Ik wil hem op de grond zetten om zijn moeder te helpen, maar hij klemt zijn armpjes rond mijn nek. De vrouw probeert overeind te komen, maar zakt door haar benen. Een man komt aansnellen en belt 112. Al snel verschijnt een politieauto en twee mannen stappen uit. Opgelucht overhandig ik een van hen het kind.
‘Wacht even, mevrouw,’ vraagt zijn collega. ‘Hebt u het ongeluk zien gebeuren?’
Ik heb hier geen tijd voor. Mijn quiche. Nog twintig minuten.
‘Ik moet weg,’ zeg ik.
‘Hebt u haar aangereden?’
‘Wat? Nee! Het waren twee jongens van een jaar of dertien. Ze keken niet uit en sneden haar. Toen ze viel, fietsten ze snel weg.’
Ik wil weglopen, maar de man legt zijn hand op mijn arm. Kwaad schud ik die van me af.
‘Doet u eens rustig, mevrouw.’
‘Doe zelf rustig. Blij van me af.’
‘Vanwaar die haast? We hebben een verklaring nodig.’
‘Die heb ik u net gegeven.’
‘Hoe zagen de jongens eruit?’
De plastic tas hangt niet langer aan het stuur. Ik kijk om me heen. De tas rolt over de weg.
‘Mevrouw, blijft u staan.’
‘Ik moet…’
‘U moet naar mij luisteren.’
Ik ren. Achter mij klinkt geschreeuw. Snelle voetstappen vermengen zich met die van mij. Als een evenwichtskunstenaar die plots het koord onder zich voelt verdwijnen, wankel ik. Mijn hoofd klapt op het asfalt. Een knie drukt in mijn rug. Ruw worden mijn handen op mijn rug getrokken.
Een windvlaag pakt de tas op en verdwijnt met brief en al in de gracht.

Anita Terpstra

20:58 Gepost door Pol de postman in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.